VORIGE PAGINA     |   INDEX GETUIGENISSEN  |    VOLGENDE PAGINA
getuigenissen

Inhoud van deze pagina:

77. De bovennatuurlijke genezing van
      Mevr. Reed en Mevrouw Andrews
77 De bovennatuurlijke genezing van mevr. Reed en Mevrouw Andrews, bij het tonen van een visioen aan William Branham
(uit "Bovennatuurlijk" het leven van William Branham deel 2)

W Branham William Marrion Branham

GETUIGENIS
Op een keer kreeg William Branham te horen dat een buurvrouw van hem - mevrouw Reed, die aan het einde van zijn huizenblok woonde -op sterven lag met tuberculose. Ze was naar het sanatorium in Louisville overgebracht om haar vier kleine kinderen tegen de zeer besmettelijke ziekte te beschermen. Omdat tuberculose de demon was waaraan Hope gestorven was, voelde broeder Branham een diepe last voor mevrouw Reed. Hij kon haar maar niet uit zijn gedachte krijgen - zo'n jonge moeder die zo erg lijdt en deze zorg behoevende kleine kinderen achter moet laten.

Op een avond reed broeder Branham naar het sanatorium en bad voor haar. Toen Bill twee dagen later op de veranda zat, toonde de Here hem een visioen van mevrouw Reed als grijsharige grootmoeder die de handen van haar volwassen kinderen schudde. Bill ging terug naar het sanatorium en vertelde haar: "Zo spreekt de Here: 'Je zult leven'!"

Mevrouw Reed riep uit: "Oh, God zij gedankt!"

Bill vroeg: "Wil je opstaan en in de Naam van de Here Jezus Christus gedoopt worden, Hem aanroepend om je zonden laten wegwassen?"

Ze antwoordde: "Ik zal alles doen wat God van me vraagt."

Een paar dagen later stond Bill buiten op de stoep voor zijn huis, om met zijn nieuw verworven fiets naar de kruidenierswinkel te rijden. Hij had net zijn been over de middenstang gezwaaid en was van plan weg te rijden, toen zijn buurman hem riep. "Zeg, wacht eens een ogenblikje daar, prediker. Waar ga je heen?"

"Goede morgen, meneer Andrews. Ik ben op weg naar de kruidenier. Kan ik iets voor u meenemen?

"Nee. Ik wil je alleen iets vragen." Zijn stem kreeg een berispende ondertoon. "Schaam je je niet?"

"Wat bedoelt u?"

"Die arme stervende moeder te zeggen dat ze zal blijven leven en haar gezin valse hoop geven?"

Nu begreep Bill waar het allemaal om ging. Meneer Andrew was praktisch altijd een betamelijke buurman, maar hij was altijd grof tegenover Bill's geloof in God geweest. Meneer Andrews werkte met meneer Reed bij het overheidsdepot en moest van hem over het visioen gehoord hebben. "Wel, meneer Andrews, zij zal gaan leven", bleef Bill volhouden.

"Duizenden mensen sterven elk jaar aan tuberculose. Wat laat jou denken dat mevrouw Reed blijft leven?"

Bill gaf de enige verklaring die hij kon geven. "Omdat Jezus het zo zei. Hij liet me een visioen ervan zien."

Meneer Andrews snoof uit ergernis. "Als ik jouw was, zou ik me schamen, om rond te gaan en mensen zo te misleiden. Ik weet dat ik hard ben tegen je, maar"

"Dat is in orde, meneer Andrews. U heeft uw ideen en ik heb de mijne." Bill stapte op zijn fiets en reed weg.

Intussen was de toestand van mevrouw Reed zo opmerkelijk verbeterd, dat haar dokters opnieuw een rntgenfoto van haar longen wilden maken. Tot hun verbazing konden ze geen spoor van de ziekte in haar lichaam vinden. Er was geen reden meer om haar nog langer in het sanatorium te houden. Met grote vreugde en fanfares keerde ze weer naar haar gezin terug.

Twee dagen later zei Meda: "Billy, ik hoorde vandaag dat mevrouw Andrews erg ziek is. Je moet daarheen gaan om haar te bezoeken."

"Ja, goed ik zal gaan, maar ik moet voorzichtig zijn met haar man in de buurt. Hij denkt niet zoveel goeds over me."

Bill ging naar de buurman en klopte aan. Meneer Andrews opende de deur. "Hallo, meneer Andrews. Ik hoor dat uw vrouw ziek is. Is er iets wat ik voor u kan doen?"

"Luister", zei zijn buurman kortaf, "we hebben een goede dokter, we hebben geen hulp van je nodig. Ze heeft alleen maar blindedarmontsteking. We zullen hem eruit laten halen en daarmee is ze geholpen. We hebben hier geen enkel gebed nodig."

"Meneer Andrews, ik vroeg u niet of ik voor uw vrouw mocht bidden. Ik wil alleen mijn hulp aanbieden. Ik kan u wat avondeten brengen of wat boodschappen bij de kruidenier doen of iets anders om te helpen."

"Dank je. Nee, dank je", zei meneer Andrews onbeschaamd. "Alles is onder controle."

"Dat hoop ik voorzeker", zei Bill. "Als ik van enige hulp kan zijn, laat het me dan gewoon weten."

Zijn buurman gromde wat en sloeg de deur dicht.

De volgende morgen ging Bill zoals gewoonlijk naar het werk, om de hoogspanningslijnen voor Openbare Werken te controleren. Hij stapte uit zijn wagen, maakte zijn revolverriem vast en liep langs de weg. Hij was nog niet ver, toen hij een sterk gevoel kreeg om zich om te draaien en terug naar huis te gaan. Motregen viel uit de donkergrijze lucht, maar niet genoeg om hem met werken te laten stoppen, dus schudde hij de drang om terug te gaan, van zich af en bleef doorlopen. Het gevoel kwam terug, ditmaal dringender dan voorheen. Bill ging naar zijn wagen terug en gaf via de radio aan zijn ploegbaas door, dat hij die dag niet zou werken. Toen reed hij naar huis.

Het verbaasde Meda om haar man op het midden van de morgen de voordeur te zien binnen komen. "Waarom ben je weer terug?"

"Ik weet het niet precies. De Here zei mij om terug te komen en dat deed ik dus."

Hij legde zijn revolver op de eettafel, haalde hem uit elkaar en begon de onderdelen te olin en op te poetsen. Door het raam zag hij opzij langs het huis meneer Andrews aankomen. Kort daarop werd er op zijn deur geklopt en meneer Andrews riep: "Mevrouw Branham, is de prediker hier?"

Meda werkte bij het aanrecht, veegde haar handen af aan haar schort en zei: "Ja. Kom binnen, meneer Andrews."

Zijn buurman stapte door de keukendeur. Hij zag eruit als een geslagen hond. Zijn ogen waren opgezwollen en rood en zijn neus drupte. Zijn hoed zat gekreukeld en verdraaid op zijn hoofd. "Hallo, prediker", zei hij berouwvol.

"Hallo meneer Andrews. Neem een stoel."

Meneer Andrews ging naast broeder Branham zitten. Emotionele verwarring was op zijn hele gezicht af te lezen. "Heb je het al van mevrouw Andrews gehoord?"

"Nee. Wat is er aan de hand?"

"Wel, prediker" - zijn stem beefde - "ze zal gaan sterven."

"Het spijt mij om dat te horen, meneer Andrews. Hoewel ik weet dat u een goede dokter heeft."

"Ja", zei hij, terwijl hij zijn neus snoot, "maar het was helemaal geen blindedarmontsteking. Het blijkt een bloedstolsel te zijn en het is slechts enkele uren van haar hart verwijderd. We hebben nu een specialist uit Louisville naar het ziekenhuis gehaald. Hij zegt dat wanneer de bloedprop haar hart bereikt, ze sterven zal."

"Dat is erg", zei broeder Branham. "Ik vind het vreselijk om dat te horen. Maar ik ben blij dat u een goede dokter voor deze zaak hebt."

Meneer Andrews stotterde en worstelde voor de volgende woorden: "Wel- uh- ze is er erg slecht aan toe, en- uh- ik vroeg me af of- uh- denkt u dat u haar kan helpen?"

"Ik?" Bill hield zijn hand tegen zijn borst. "Ik ben geen dokter. Hoe moet weet ik weten wat ik moet doen?"

"Wel- uh- u weet- ik dacht dat u haar een beetje kon helpen, zoals u de vrouw op de hoek hielp mevrouw Reed.

"Dat was ik niet", legde William Branham uit. "Dat was de Here Jezus die mevrouw Reed hielp. Ik dacht dat u niet in Hem geloofde."

Meneer Andrews haalde zijn schouders op. "Weet u, n van mijn tantes was een christin die in de heuvels woonde. Eens deed ze een belofte aan God om aan het eind van het jaar $5.00 aan een rondtrekkende prediker te geven. Ze waste de kleren van anderen om het geld bij elkaar te sparen, maar toen het einde van het jaar kwam, had ze het niet. De dag voordat de prediker kwam, kocht ze voor een stuiver een nieuw stuk zeep. Ze stond boven de wastobbe en huilde omdat ze haar belofte niet kon houden. Ze droogde haar tranen aan haar schort, stak toen haar handen opnieuw in het water en schrobde het stuk zeep over het wasbord om sop te krijgen. De zeep maakte een vreemd klinkend geluid. Toen ze beter keek, vond ze een gouden muntstuk van $5.00 die in het stuk zeep zat. Zo was ze toch nog in staat om haar belofte aan God te houden."

"Hoe kwam dat gouden muntstuk daar?", vroeg Bill, hoewel hij voelde dat hij het antwoord wist.

Meneer Andrews schudde zijn hoofd. "Ik weet het niet. Ik heb het mezelf vaak afgevraagd."

"Ik zal u zeggen hoe. De opgestane Jezus deed dat. De vrouw deed haar belofte in goed geloof vanuit een zuiver hart. Ze dacht dat ze het kon doen. God bereidde eenvoudig een weg voor haar zodat ze haar belofte kon houden."

Meneer Andrews knikte. "Ik heb er veel over nagedacht. Het liet het me zelfs afvragen of er een God is."

"Meneer Andrews, er is een God."

De man boog zijn hoofd. "Denk je dat Hij mijn vrouw kan helpen?"

"Jazeker. Ik weet dat Hij dat kan."

"Wil je voor haar bidden?", smeekte meneer Andrews.

"Laten we eerst bij het begin beginnen. U moet eerst uw eigen hart in orde brengen."

"Wat zou u ervan denken als u hier met mij neerknielt en we samen zullen gaan bidden."

"Wel, ik- ik weet niet wat ik zeggen moet."

"Ik zal u helpen."

Ze schoven hun stoelen van de tafel weg en knielden neer, met hun ellebogen rustend op de zittingen van hun stoelen. Bill gaf aanwijzingen. "Zeg uit het diepst van uw hart: 'God, wees mij zondaar genadig.'"

Ze baden door, totdat die verharde athest zich een weg tot het geloof in Jezus Christus doorgehuild had. Toen droogde meneer Andrews zijn ogen en vroeg: "Wel, prediker, wilt u nu naar het ziekenhuis gaan?"

"Ja, ik zal gaan."

Meda ging met hem mee. Tegen de tijd dat ze de ziekenhuiskamer binnenkwamen, was mevrouw Andrews er zo slecht aan toe, dat er geen kleur in haar ogen meer was overgebleven. Haar gezicht was zo opgezwollen, dat ze nauwelijks nog op dezelfde persoon leek die jarenlang naast hun had gewoond. Meda begon te huilen toen ze haar zag. William Branham knielde neer bij het bed en bad: "Dierbare God, alstublieft, help mevrouw Andrews. We zijn allemaal hulpeloos. De dokter heeft alles gedaan wat hij kon doen en nog steeds is ze stervende. Jezus, wij weten dat U opstond uit de dood en hier levend onder ons bent, met kracht om alles te kunnen doen. We vragen U om genade te hebben met deze arme vrouw en haar te laten leven."

Bill stond daar een tijdje en hield de gezwollen hand van mevrouw Andrews vast.

Meda vroeg: "Zie je iets?"

"Nee, schat."

Ze liepen de kamer uit door de hal, naar de kraamafdeling om naar de pasgeboren baby's te kijken door het raam. Toen liepen ze weer terug naar de kamer van mevrouw Andrews. Op het moment dat broeder Branham over de drempel stapte, zag hij mevrouw Andrews in haar eigen keuken een appeltaart uit haar oven halen. Toen zag broeder William Branham zichzelf op de veranda van zijn eigen huis zitten. Mevrouw Andrews kwam om de hoek van het huis en bood hem de hele taart aan. Nadat hij die taart in stukken gesneden had, groef Bill er een punt uit en at hem op. Toen even snel als hij eruit was gegaan, was hij weer terug in de ziekenhuiskamer. Hij keerde zich om naar Meda en zei: "Schat, het gaat goed komen. Maak je geen zorgen, God heeft onze gebeden gehoord."

Een verpleegster hoorde zijn opmerking. Ze vroeg: "Eerwaarde Branham, wat bedoelt u?"

William Branham verklaarde: "Mevrouw Andrews zal over drie dagen een taart voor mij bakken. Als dat niet zo is, dan zal ik de bediening verlaten."

Toen Bill bij het huis van meneer Andrews terugkeerde zei hij tegen hem: "Zo spreekt de Here: 'Het zal goed komen met uw vrouw.' Maakt u zich geen zorgen, meneer Andrews." "Hoe kunt u zo zeker zijn?"

"God heeft het reeds gezegd door een zelfde visioen, zoals Hij ook mevrouw Reed vertelde dat ze zou gaan leven en ze is thuis en voelt zich goed."

Maar Bill vertelde niet het deel over de appeltaart.

Bill en Meda gingen naar huis. Twee uur later klopte meneer Andrews opnieuw op de deur van Bill. "Prediker, de dokter zegt dat ze nu stervende is. Ze heeft het gereutel des doods in haar keel."

"Maar de Here Jezus zei dat ze zou leven", antwoordde Bill, om hem te proberen te bemoedigen, "Geloof je niet wat ik gezegd heb?"

"Wel, prediker, ik zou het willen, maar de dokters zeggen dat ze geen uur langer meer te leven heeft."

"Wat de dokters zeggen, maakt geen enkel verschil. Wanneer God iets zegt, zal het gebeuren."

Nerveus en zonder het geringste vertrouwen, ging meneer Andrews op weg naar het ziekenhuis. Meda, die zich nog herinnerde hoe slecht mevrouw Andrews eruit zag, vroeg aan haar man: "Bill, wat geloof je nu werkelijk?"

"Waarom, maak je geen zorgen. God sprak het reeds en dat maakt het vast. Die vrouw zal over drie dagen een appeltaart voor mij bakken en ik zal buiten op de veranda zitten wanneer ik het eerste stuk eet. Als het niet gebeurt, dan spreekt God niet tot mij."

Binnen een uur kwam meneer Andrews terug, helemaal opgewonden en schreeuwde: "Prediker, weet u wat er gebeurd is?"

William Branham was net zo ver om de onderdelen van zijn revolver in elkaar te zetten. Hij draaide de cilinder, plaatste hem erin en deed de revolver weer terug in de holster. "Wat is er gebeurd meneer Andrews?"

"Al het water is uit haar gekomen. Ze richtte zich op in bed en zei: 'Ik sterf van de honger.' Toen n van de verpleegsters haar wat kippenbouillon bracht, zei ze: 'ik wil geen bouillon, ik wil zuurkool met worst.' Prediker, zij zeggen dat ik haar binnen een paar dagen mee naar huis kan nemen!"

Drie dagen later, terwijl broeder Branham op zijn veranda zat, kwam mevrouw Andrews om de hoek van het huis met een taart in haar hand. Bill trok zijn voeten op en genoot van het lekkerste stuk appeltaart dat hij in ooit gegeten had.



VORIGE PAGINA     |   VOLGENDE PAGINA

HOME      INDEX getuigenissen    TOP   

______________________________________________

Voor vragen of opmerkingen:





Peter van Oort

Peter van Oort